
Kliniek voor Vogels
Drs. Jan Hooimeijer, Vogeldierenarts en Papegaaiengedrags therapeut
Galgenkampsweg 4 7942 HD Meppel
Tel;0522-259455 email; info@kliniekvoorvogels.nl
“De kwaliteit van vogels en de kwaliteit van de avicultuur.”
Als we praten over de kwaliteit van vogels gaat het om de mate van gezondheid, vitaliteit , de kweekresultaten en de schoonheid van vogels. De veerkwaliteit van een vogel is veelal een goede afspiegeling van de algehele konditie.
De kwaliteit van vogels is gekoppeld aan de kwaliteit van de avicultuur.
De kwaliteit wordt bepaald door het beleid van de georganiseerde avicultuur en het management van de individuele liefhebber.
Het beleid van de georganiseerde avicultuur en het management van de individuele liefhebber heeft te maken met allerlei maatregelen die betrekking hebben op de langere termijn.
De benadering van de avicultuur en van een kweekbestand dient gericht te zijn op de langere termijn.
Het is de bedoeling dat de avicultuur en een kweekbestand voor de toekomst behouden blijft.
De opzet is dat er minder of geen problemen zijn en dat er goede (kweek)resultaten worden behaald.
Om deze doelstelling waar te maken zal de avicultuur en elke liefhebber moeten investeren.
Investeren in de kwaliteit van de vogels, in de huisvesting , in allerlei preventieve maatregelen , in goede verzorging/voeding en in (preventieve) gezondheidszorg.
Ook is het van groot belang dat er wordt geïnvesteerd in het verwerven van kennis.
Kennis en preventie is investeren in de toekomst.
Als het goed is gaat het bij het maken van keuzes om de belangen van de vogels op de langere termijn.
Vanuit de Kliniek voor Vogels moet worden geconcludeerd dat er gedurende de afgelopen 30 jaar ongunstige ontwikkelingen zichtbaar zijn binnen de liefhebberij.
Op tal van punten wordt er niet of onvoldoende geïnvesteerd. Dat geldt zowel voor de georganiseerde avicultuur als voor de individuele liefhebber.
De kweekresultaten worden bij veel vogelsoorten niet beter maar minder. Het aantal eieren en het aantal jongen zoals er per ronde per pop gekweekt wordt is in het algemeen (ver) onder de norm.
Als voorbeelden kunnen dienen de grasparkiet en de kanarie. We moeten uitgaan van 4-5 jongen per pop per ronde. Dat betekent dat er van 20 kweekkoppels 160 jongen in twee rondes gekweekt moet kunnen worden. - 30 jaar geleden was dat niet ongebruikelijk. In de praktijk blijkt dat kwekers tevreden zijn met 4-5 jongen per pop in twee rondes.
Daarnaast kunnen we constateren dat de gemiddelde levensverwachting van vogels achteruit gaat.
Vogels worden (veel) minder oud dan normaal gesproken haalbaar is. Kanaries worden binnen de avicultuur op de leeftijd van 4-5 jaar als oud bestempeld. Grasparkieten worden op de leeftijd van 6-8 jaar als oud bestempeld. We kunnen uitgaan van een levensverwachting voor kanaries en voor grasparkieten van (minimaal) 15 – 20 jaar. De oudste kanarie die ik in handen heb gehad was 24 jaar.
Het is merkwaardig dat dit binnen de avicultuur als 'gewoon' wordt beschouwd en dat de normen uit het oog zijn verloren.
Een dergelijke negatieve ontwikkeling is een geleidelijke proces.
Vanzelfsprekend zijn er altijd voorbeelden die het tegendeel lijken te bewijzen. De bekende “succesverhalen’ in de vogelbladen doen iedereen geloven dat het allemaal wel mee valt. Het gaat daarbij echter eerder om uitzonderingen dan om een regel.
Elke liefhebber die meer dan 10 jaar met een bepaalde vogelsoort kweekt moet kunnen zien of het , vergeleken met 10 jaar geleden beter of slechter gaat.
Hoe lang wordt er gekweekt met kweekkoppels, wat zijn de resultaten, wat zijn de doodsoorzaken enz. De ervaring in de Kliniek voor Vogels is dat de meeste eigenaren/liefhebbers geen antwoord kunnen geven op de gestelde vragen.
Er zijn enkele duidelijke oorzaken aan te geven van de achteruitgang binnen de liefhebberij als het gaat om de “kwaliteit” van vogels;
Bijna alle vogelliefhebbers zijn feitelijk hobbyisten en in die zin “amateurs”. Er is veel ervaring maar uiteindelijk heel weinig deskundigheid. Dat is een conclusie die ondergetekende de afgelopen 30 jaar dagelijks kan trekken. Het ontbreekt veelal aan een meer professionele benadering waarbij de belangen van de individuele vogels, van het vogelbestand en van de avicultuur meer serieus genomen worden. Dat dit belangrijk is kan elke pluimveehouder beamen.
Het simpele feit dat veel vogelsoorten , afkomstig uit Australië, Indonesië, Afrika en Z-Amerika, domweg worden beschouwd als “winterhard’ en er nauwelijks voorzieningen worden getroffen die tegemoet komen aan de welzijnseisen van vogels is opmerkelijk. Er worden massaal vogels in binnenverblijven gehouden die nooit buiten komen terwijl zonlicht en frisse lucht van essentieel belang is. Er worden daarnaast vogels gehouden in buitenvolieres zonder een goed verwarmd binnenverblijf waarbij de vogels kunnen profiteren van de buitenomstandigheden als het buiten koud is en tegelijkertijd kunnen profiteren van een warm binnenverblijf. Er zijn nog altijd vogelliefhebbers die denken dat het voldoende is om een binnenverblijf vorstvrij te houden. Dat zou je niet verwachten van vogelhouders die zich vogelliefhebbers noemen en veelal pretenderen deskundig te zijn.
Er wordt binnen de vogelliefhebberij nauwelijks geselecteerd op gezondheid en vitaliteit. Er wordt veel meer geselecteerd op andere eigenschappen. De eisen waar vogels aan moeten voldoen om op een tentoonstelling hoog te scoren hebben niets te maken met vitaliteit, gezondheid en productiviteit.
Als keurmeesters praten over kwaliteit van een vogel gaat het duidelijk om uitwendige eigenschappen die moeten voldoen aan deeisen die door de avicultuur/keurmeesters worden bepaald.
Een bijkomend probleem is dat de kweekresultaten in het algemeen zodanig zijn dat er nauwelijks wordt geselecteerd op gezondheid en vitaliteit maar hoofdzakelijk op tentoonstellingskenmerken.
Mijn ervaring is dat liefhebbers die hoog scoren op de tentoonstelling, in het algemeen niet behoren tot degene met de beste kweekresultaten. Wordt een grasparkiet kampioen op de tentoonstelling , dan wordt het ouderpaar bestempeld als een goed kweekstel, ongeacht het feit dat het koppel misschien maar 1 jong heeft gekweekt, het jong niet ouder wordt dan 3 jaar vanwege leververvetting en de kweekpop na 3 jaar doodgaat door legnood.
We moeten bedenken dat van de vogels die in de natuur geboren worden een groot percentage het eerste jaar afvalt. Dit percentage kan, afhankelijk van de vogelsoort wel oplopen tot meer dan 75%. In de natuur is er sprake van natuurlijke selectie waarbij uiteindelijk alleen de meest sterke, vitale en gezonde vogels overleven en vervolgens een rol gaan spelen in de voortplanting en in het voortbestaan van de soort. Deze natuurlijke selectie bepaald voor een groot deel de kwaliteit van de populatie.
Binnen de avicultuur is er geen sprake van natuurlijke selectie en wordt de kwaliteit van de bestanden alleen maar minder.
De verworvenheden, kennis en ervaring binnen de avicultuur en de ontwikkelingen binnen de vogelgeneeskunde maken het mogelijk om veel zwakke vogels, soms met kunst en vliegwerk, in leven te houden.
De vraag is echter in hoeverre dat uiteindelijk een goede zaak is op de langere termijn.
Gaan kweken met vogels die onder natuurlijke omstandigheden al lang waren afgevallen is mijns inziens vragen om problemen.
In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat mutaties minder sterk zijn dan de oorspronkelijke vogels. De levensverwachting van mutaties is ook lager dan van de oorspronkelijke vogels
ook hierbij zijn de grasparkiet en de kanarie sprekende voorbeelden.
Het merendeel van de vogels wordt gekweekt voor de verkoop. Elk gekweekt jong is er een. Het gaat daarbij al snel om handelsoverwegingen. Dit is een commercieel aspect waarbij liefhebbers het belang van de kwaliteit van de individuele vogel en van de kwaliteit van de soort veelal uit het oog verliezen vanwege korte termijn belangen.
Het ligt voor de hand dat vooral de minst sterke , minst vitale vogels worden verkocht. Deze groep vogels heeft een ongunstige invloed op de gezondheid en vitaliteit van de vogelbestanden binnen de liefhebberij.
De handel in vogels heeft een ongunstig effect op de gezondheidsaspecten binnen de vogelliefhebberij. Er worden vogels die minder sterk/vitaal zijn onder ongunstige omstandigheden bij elkaar gebracht. Vogelmarkten en tentoonstellingen zijn niet in het belang van de individuele vogels en zijn zeker niet in het belang van de kweekbestanden van de individuele vogelliefhebber.
Besmettelijke ziektes profiteren van deze stresssituaties. De toename van besmettelijke (virus)ziektes is dan ook een voor de hand liggende ontwikkeling binnen de avicultuur.
In 1990 is op initiatief van ondergetekende de Werkgroep Besmettelijke Vogelziekten (WBV) ,als samenwerkingsverband van de georganiseerde avicultuur, opgericht. Na 10 jaar is ondergetekende als voorzitter van de WBV opgestapt. De belangrijkste reden daarvan was dat het gemeenschappelijk belang van de georganiseerde avicultuur geen prioriteit en onvoldoende draagvlak had bij de verschillende bonden. Nadat ondergetekende als voorzitter van de WBV is afgetreden is de werkgroep als een nachtkaars uitgegaan. De bonden hebben de draad vervolgens niet opgepakt. Bepaald geen gunstige ontwikkeling binnen de georganiseerde avicultuur.
Serieuze avicultuur is mijns inziens het kweken van vogels waarbij het welzijn , de gezondheid en de vitaliteit van de vogels bepalend is voor het beleid en de keuzes.
Tevens is een kenmerk van serieuze avicultuur dat vogelsoorten voor de toekomst behouden blijven. Dat geldt niet alleen voor in de natuur bedreigde vogelsoorten maar voor alle vogelsoorten die in gevangenschap gehouden worden.
Ondergetekende heeft geen problemen met mutatiekweek tenzij de consequentie is dat de grasparkiet, de halsbandparkiet, de kakariki ,de gouldamadine enz. enz feitelijk als soort uitsterft in gevangenschap.
Het is al erg genoeg dat er nog steeds vogelsoorten in de natuur uitsterven. Dat vogelsoorten in gevangenschap uitsterven kunnen vogelliefhebbers in de toekomst niet aan de kleinkinderen uit leggen zonder een gevoel van schaamte.
Als hier ,door de avicultuur, geen rekening mee gehouden wordt zal er in de toekomst terecht maatschappelijke kritiek komen vanwege een onverantwoorde manier van omgaan met vogels en met vogelsoorten. Duidelijk zal dan naar voren komen dat de belangen van de vogels en van de vogelsoorten ondergeschikt zijn aan andere (commerciële) belangen.
Dergelijke kritiek moet de georganiseerde avicultuur en vogelliefhebbers serieus nemen en maatregelen nemen om dat te voorkomen.
Ongunstige ontwikkelingen binnen de avicultuur kunnen worden bijgestuurd. De rijn is schoner dan 30 jaar geleden. Er is weer een grote populatie zeehonden in de waddenzee. De roofvogelstand in Nederland is beter dan vele jaren geleden en er is weer een grote populatie ooievaars in Nederland terwijl deze feitelijk totaal was verdwenen.
Allereerst moeten ongunstige ontwikkelingen worden onderkend en serieus genomen. Vervolgens moeten er maatregelen genomen worden.
Het is aan elke vogelliefhebber en aan de avicultuur als geheel om tot aktie over te gaan zoals in de zestiger jaren ten aanzien van het milieu.
Het instellen van speciaalclubs voor bepaalde soorten en het oprichten van studbooks zoals het Nederlands Poicephalus Stamboek zijn positieve ontwikkelingen binnen de serieuze avicultuur. Deze ontwikkelingen dienen door de georganiseerde avicultuur gestimuleerd en ondersteund te worden.
Vogelliefhebbers en vogelverenigingen die van organisaties steunen zoals Stichting Papegaai, www.stichtingpapegaai.nl laten daarmee ook zien de belangen van vogels breder te zien dan alleen het eigen belang. Dergelijke liefhebbers doen daarbij iets terug voor datgene wat vogels aan liefhebberij, plezier en voldoening kunnen geven.
Het is niet toegestaan om bovenstaande tekst en/of foto’s over te nemen